ECLI:NL:CRVB:2011:BP8873

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4605 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens overschrijding vermogensgrens

Appellant heeft op 5 maart 2008 een langdurigheidstoeslag aangevraagd bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Deze aanvraag werd op 12 april 2008 afgewezen omdat appellant gedurende een gedeelte van de referteperiode van 60 maanden vermogen bezat dat hoger was dan het vrij te laten vermogen volgens artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het College verklaarde dit bezwaar op 26 juni 2008 ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing in haar uitspraak van 3 juli 2009. Appellant stelde zich hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat appellant in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2003 vermogen had dat de toegestane grens overschreed, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de langdurigheidstoeslag. De Raad volgde daarmee de eerdere uitspraak en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen wegens vermogen boven de toegestane grens gedurende de referteperiode.

Uitspraak

09/4605 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2009, 08/3198 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Stam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 5 maart 2008 een langdurigheidstoeslag aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 12 april 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College onder meer ten grondslag gelegd dat appellant gedurende een gedeelte van de in dit geval in aanmerking te nemen referteperiode heeft beschikt over vermogen boven het vrij te laten vermogen, zodat het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) zich tegen het verlenen van langdurigheidstoeslag verzet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (tekst tot en met 31 december 2008) verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro.
4.2. In zijn tussen partijen gegeven uitspraak van heden, met procedurenummer 09/2048, heeft de Raad geoordeeld dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2003 beschikte over vermogen dat meer bedroeg dan de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. Deze periode bestrijkt een gedeelte van de in dit geval in aanmerking te nemen referteperiode van 60 maanden. Dit betekent dat in zoverre niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van langdurigheidstoeslag zoals neergelegd in de onder 4.1 genoemde bepaling.
4.3. De Raad volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat het College de aanvraag om langdurigheidstoeslag terecht heeft afgewezen.
4.4. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.M. van Gorkum.
IJ