ECLI:NL:CRVB:2011:BP8857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- E.J.M. Heijs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand van december 1999 tot maart 2003 en van januari 2004 tot januari 2007 als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar het voeren van een gezamenlijke huishouding met de moeder van zijn zoontje, [B.]. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, waarnemingen, getuigenverklaringen en verhoren door sociaal rechercheurs. Appellant erkende in het verhoor samen te wonen met [B.] vanaf april 2000.
De gemeente besloot de bijstand over de genoemde periodes in te trekken en terug te vorderen, omdat appellant niet had gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn verklaring onder druk had afgelegd en dat hem was toegezegd dat de terugvordering beperkt zou blijven tot de periode van 2004 tot 2007.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn verklaring onder ontoelaatbare druk was afgelegd. Zijn verklaring werd ondersteund door die van [B.] en getuigen. Ook was er geen bewijs van een toezegging over de terugvorderingsperiode. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.