ECLI:NL:CRVB:2011:BP8852

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7176 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, WWBArt. 54, derde lid, WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens onjuiste opgave woonsituatie

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in per 12 juli 2007 wegens het verstrekken van onjuiste informatie over zijn woonadres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.

De Raad baseert zich op het onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen (DWI), waaronder een gesprek met appellant en een huisbezoek op 12 juli 2007. Daarbij werden weinig persoonlijke spullen aangetroffen en verklaarde appellant slechts incidenteel in zijn woning te verblijven. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

Appellant voerde aan dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat hij ook bij zijn moeder verbleef, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. De Raad oordeelt dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onjuiste opgave van de woonsituatie wordt bevestigd.

Uitspraak

08/7176 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 08/406 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving laatstelijk vanaf 26 september 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
In het kader van een onderzoek naar de woonsituatie van appellant hebben twee handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) onder meer op 12 juli 2007 met appellant gesproken op het kantoor van de DWI en aansluitend een huisbezoek afgelegd in diens woning op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. De DWI heeft geconcludeerd dat appellant niet zijn hoofdverblijf op dat adres heeft. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 10 augustus 2007.
1.2. Bij besluit van 3 september 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 12 juli 2007 ingetrokken.
1.3. Bij besluit van 20 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting onjuiste informatie over zijn woonadres heeft verstrekt, waadoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 12 juli 2007 tot en met 3 september 2007.
4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4.3. Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de woonsituatie van appellant niet overeenkomt met zijn opgave. Het onderzoek van de DWI biedt voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de hier van belang zijnde periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het adres [adres 1] in [naam gemeente]. Daartoe overweegt de Raad het volgende.
4.4. Blijkens het verslag van het gesprek op 12 juli 2007 heeft appellant verklaard dat hij ongeveer twee nachten in een week in zijn eigen huis slaapt. Soms slaapt hij daar de hele week niet, soms drie dagen niet en soms slaapt hij er de hele week. Dit is afhankelijk van hoe hij zich voelt. Hij heeft verklaard af en toe bij zijn moeder op de zolder te slapen.
4.5. Tijdens het huisbezoek werden heel weinig persoonlijke spullen van appellant in de woning aangetroffen. Zo waren er geen kledingstukken, geen etenswaren of afval van etenswaren en, afgezien van een kam en een paar condooms in de badkamer, geen toiletartikelen. Het gasstel was niet aangesloten en in de badkamer ontbrak de douchekop aan de waterleiding.
4.6. De verklaringen van appellant voor het ontbreken van persoonlijke spullen in zijn woning bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat appellant in de hier te beoordelen periode wel zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres.
4.7. Nu de door appellant op 12 juli 2007 afgelegde verklaring en het huisbezoek op die dag al een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde hier in geding niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres, volgt de Raad appellant niet in zijn betoog dat het onderzoek van de DWI onvolledig is geweest omdat de moeder van appellant niet is gehoord en er bijvoorbeeld geen observaties hebben plaatsgevonden.
4.8. Door geen juiste opgave van zijn woonsituatie te doen, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. De Raad is met het College van oordeel dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.9. Appellant heeft voorts aangevoerd dat, mocht zijn stelling dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres niet slagen, het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, omdat dan moet worden aangenomen dat hij zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn moeder. Deze grond treft geen doel. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat het op de weg van appellant lag om aannemelijk te maken dat hij, indien hij aan de inlichtingenverplichting had voldaan, recht op bijstand bestond. Hierin is hij niet geslaagd. De Raad wijst er voorts op dat appellant destijds bij zijn aanvraag om bijstand geen melding heeft gemaakt van het frequente verblijf bij zijn moeder. Er was daarom voor het College toen geen aanleiding om een onderzoek in te stellen op het adres van de moeder van appellant.
4.10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken met ingang van 12 juli 2007. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellant niet bestreden.
4.11. Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.
HD