ECLI:NL:CRVB:2011:BP8464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Brand
- H.J. Simon
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit
Appellante, werkzaam als financieel medewerkster, viel in 2002 uit wegens rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. In 2006 werd haar uitkering herzien op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door een verzekeringsarts, wat leidde tot een verlaging van haar arbeidsongeschiktheid naar 25-35%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de FML op enkele punten niet overeenkwam met de bevindingen van de revalidatiearts Van Aanholt, maar verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep bracht appellante een psychiatrisch rapport in en stelde dat de FML haar beperkingen overschatte en niet voldeed aan kwaliteitseisen. Deskundigen in hoger beroep stelden vast dat de situatie van appellante op de datum in geding niet anders was dan tijdens hun onderzoek en betwistten de bezwaren van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad concludeerde dat het UWV het recht had appellante opnieuw te beoordelen en dat het medisch onderzoek in 2006 niet tekortschiet. Wel constateerde de Raad dat de FML van 2006 op vier punten niet overeenkwam met de deskundigenrapporten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Daarom draagt de Raad het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen door een nieuwe FML op te stellen die aansluit bij de conclusies van de deskundigen en op basis daarvan de arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door een nieuwe FML op te stellen en de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.