ECLI:NL:CRVB:2011:BP7943

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3661 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens hervatting magazijnwerk

Appellant stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering per 28 januari 1991 door het UWV. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, omdat uit medische rapportages bleek dat appellant zijn werk kon hervatten en er geen nieuwe medische gegevens waren die dit tegenspraken.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken en medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die concludeerden dat appellant belastbaar was voor zijn functie als magazijnbediende. De door appellant overgelegde medische rapporten uit Marokko boden geen aanleiding tot een ander oordeel of nader medisch onderzoek.

Daarom oordeelt de Raad dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant op 28 januari 1991 in staat was zijn werk te hervatten en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/3661 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 08/1830 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Visch.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 september 2007, 05/937 WAO, 05/1028 ZW (LJN BB4974). Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv het besluit van 31 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) genomen, inhoudend dat het ziekengeld van appellant op juiste gronden is beëindigd per 28 januari 1991 omdat hij in staat werd geacht het eigen werk te hervatten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit wordt gedragen door een deugdelijke motivering blijkend uit rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. De rechtbank heeft daarbij mee laten wegen dat in beroep geen medische informatie is ingebracht die er op wijst dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op of rond 28 januari 1991 in betekenende mate is onderschat. Daarom heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek te laten verrichten.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer in zijn rapport van 5 maart 2008 voor de vaststelling van de belastbaarheid van appellant op 28 januari 1991 aansluiting heeft gezocht bij het standpunt van verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk en dat van bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever inzake de belastbaarheid van appellant zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 26 februari 2003. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van de Hulst in zijn rapport van 18 maart 2008, uitgaande van de functieomschrijving en -belasting zoals neergelegd in het rapport van 4 april 2003 van bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars, geconcludeerd dat de functiebelasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat appellant op 28 januari 1991 in staat was zijn werk van magazijnbediende te hervatten.
3.2. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd maar niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Ook uit de zich in het dossier bevindende rapporten van de beoordelend artsen in Marokko, in het bijzonder de rapporten van 21 januari 1991 en 20 februari 1991 volgt niet dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding 28 januari 1991 niet juist heeft ingeschat.
3.3. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Venneman.
JL