ECLI:NL:CRVB:2011:BP7658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met kind
Appellant ontving sinds 1998 bijstand als alleenstaande. Na een onderzoek van de sociale recherche werd geconcludeerd dat appellant vanaf 1 november 2001 een gezamenlijke huishouding voerde met [v. W.] zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigt dit oordeel voor de periode van 1 november 2001 tot en met 2 december 2002 omdat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding pas vanaf de geboorte van het kind op 3 december 2002 geldt.
Voor de periode vanaf 3 december 2002 tot 30 april 2007 is de gezamenlijke huishouding wel aannemelijk en rechtvaardigt de intrekking. De Raad bevestigt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en veroordeelt het College in de proceskosten.
De uitspraak benadrukt het onderscheid tussen de onweerlegbare rechtsvermoeden en de feitelijke gezamenlijke huishouding, waarbij wederzijdse zorg en hoofdverblijf in dezelfde woning centraal staan.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor de periode vóór de geboorte van het kind, maar blijft in stand voor de periode daarna.