ECLI:NL:CRVB:2007:BA3329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.G.M. Simons
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 15 september 2003 bijstand als alleenstaande, terwijl het College van burgemeester en wethouders van Zaanstad meende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met appellant vanaf het moment dat appellante bij appellant op kamers ging wonen. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van € 5.618,55 over de periode van 15 september 2003 tot 1 mei 2004.
De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding pas vanaf 25 maart 2004 geldt, maar stelde dat er vanaf die datum sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad stelt dat vóór 25 maart 2004 geen sprake kan zijn van een gezamenlijke huishouding op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden en dat er onvoldoende objectieve feiten zijn om een gezamenlijke huishouding aan te nemen volgens de criteria van wederzijdse verzorging en gezamenlijk hoofdverblijf.
Daarnaast oordeelt de Raad dat het College niet zorgvuldig heeft gehandeld door geen adequaat onderzoek te verrichten naar de situatie vóór 25 maart 2004 en dat het huisbezoek op 13 mei 2004 niet geschikt was om die situatie vast te stellen. Daarom is het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode vóór 25 maart 2004 niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraken en de besluiten van het College voor zover zij zien op de periode vóór 25 maart 2004, en beveelt het College nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand vóór 25 maart 2004 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs en schending van zorgvuldigheidsbeginsel.