ECLI:NL:CRVB:2011:BP6948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bijstandsuitkering ten onrechte ingetrokken wegens vermeend onvoldoende medewerking
Appellant ontving sinds 2004 bijstand en werd opgeroepen voor gesprekken om zijn arbeidsmogelijkheden te onderzoeken. Hij verscheen niet op de afspraken en gaf geen voorafgaand bericht van verhindering. Het College trok daarop de bijstand in op grond van artikel 54 lid 4 WWB Pro wegens onvoldoende medewerking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gesprekken gericht waren op arbeidsinschakeling en niet op het recht op bijstand. Daarom was de intrekking op grond van artikel 54 lid 4 WWB Pro onterecht.
De Raad stelde vast dat appellant weliswaar niet tijdig had gereageerd, maar dat dit een gedraging betrof die aanleiding gaf tot een verlaging van de bijstand volgens artikel 18 lid 2 WWB Pro en de lokale verordening. De bijstand werd daarom met ingang van 1 november 2007 met 50% verlaagd voor een maand. Het College werd veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd en vervangen door een verlaging van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand vanaf 1 november 2007.