ECLI:NL:CRVB:2011:BP3894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens wachttijd
Een werknemer meldde zich op 13 september 2006 ziek vanwege psychische klachten en vroeg op 15 mei 2008 een WIA-uitkering aan. De werkgever kreeg op 5 september 2008 een loonsanctie opgelegd, waarbij de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken werd verlengd vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens de wachttijd. De werkgever maakte bezwaar, dat door appellant werd afgewezen. De rechtbank oordeelde echter dat de werkgever niet aansprakelijk mocht worden gehouden voor onjuist advies van de arbodienst zonder objectieve aanleiding tot twijfel, en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van ingeschakelde deskundigen en dat het vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts niet tot vrijstelling leidt. De Raad oordeelde dat de werkgever inderdaad verantwoordelijk is voor de re-integratie, inclusief de werkzaamheden van ingeschakelde deskundigen, en dat het standpunt van de rechtbank onjuist was.
De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen waaruit bleek dat de werknemer vanaf oktober 2007 arbeidsmogelijkheden had en dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Er waren gemiste kansen voor re-integratie en geen deugdelijke grond voor het tekortschieten van de werkgever.
De Raad concludeerde dat de loonsanctie terecht was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarbij de eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het beroep van de werkgever ongegrond verklaard.