ECLI:NL:CRVB:2012:BY5947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgeefster
Appellante maakte bezwaar tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor haar werknemer. Het UWV verlengde het recht op loon tijdens ziekte met 52 weken wegens deze onvoldoende inspanningen, gebaseerd op artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij geen acties had ondernomen nadat een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden vastgesteld dat de werknemer beperkt belastbaar was. Appellante voerde aan dat vanwege de ernstige beperkingen van de werknemer en diens langdurige opname in een revalidatiecentrum re-integratie niet verantwoord was. Tevens wees zij op de toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zorgvuldig waren en dat er voldoende steun was voor het standpunt van het UWV dat appellante geen deugdelijke grond had om geen re-integratie-inspanningen te verrichten. De Raad bevestigde dat appellante verantwoordelijk bleef voor de kwaliteit van de arbodienst en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De Raad concludeerde dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in stand kon blijven en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.