ECLI:NL:CRVB:2011:BP2952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering tijdens gedetineerde periode op grond van Wetboek van Strafvordering
Appellant ontving vanaf 14 juli 2008 een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering met ingang van 8 augustus 2008 omdat appellant vanaf die datum gedetineerd was. Na vrijlating op 11 augustus 2008 werd de uitkering weer voortgezet. Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging en stelde dat rechtens zijn vrijheid pas ontnomen is na een bevel tot bewaring van de rechter-commissaris, hetgeen volgens hem niet het geval was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt verworpen. De Raad oordeelde dat de detentie op grond van artikel 57 en Pro 61 WvSv voldoende is om te spreken van ontneming van vrijheid zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, aanhef en onder g, WW. Het is niet vereist dat er een bevel tot bewaring is gegeven volgens artikel 63 WvSv Pro.
Daarmee was het besluit van het UWV om de uitkering te beëindigen terecht en berustte het bestreden besluit op goede gronden. De Raad zag ook geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de beëindiging van de WW-uitkering tijdens de gedetineerde periode gehandhaafd.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant is terecht beëindigd gedurende de periode van gedetineerd zijn op grond van artikel 57 en 61 WvSv.