ECLI:NL:CRVB:2011:BP2422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens ontbreken van procesbelang bij WAO-uitkering
Appellante, voormalig werkgever van een werknemer met een WAO-uitkering, maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV van 15 juni 2004 betreffende de voortzetting en herziening van de WAO-uitkering van die werknemer. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellante geen belanghebbende was bij het besluit, aangezien het belang van de werkgever zich beperkt tot de eerste vijf jaar van de WAO-uitkering.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellante geen procesbelang had en verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel belanghebbende was omdat zij via het bezwaar kon beoordelen of de uitkering terecht was toegekend en tijdig was herkeurd, en verwees naar het recht op een effectief rechtsmiddel zoals gewaarborgd door het EVRM.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat ook als appellante niet meer de actuele werkgever was, zij niettemin als voormalig werkgever geen concreet procesbelang had bij het besluit. De Raad benadrukte dat appellante zelf het recht had om een herbeoordeling van de uitkering te vragen en dat het ontbreken van procesbelang niet in strijd is met het EVRM. Daarom werd het bestreden besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding om appellante in de proceskosten te veroordelen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 januari 2011.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen het UWV-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.