ECLI:NL:CRVB:2011:BP1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding bevestigd ondanks procedurele tekortkoming
Appellant was medeaansprakelijk gesteld voor terugvordering van bijstand die aan J-B was verleend, omdat zij volgens het College een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank had het beroep van appellant tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Appellant stelde in hoger beroep dat het College de medeaansprakelijkheid niet had getoetst aan de Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB, waardoor het besluit niet zorgvuldig was genomen.
De Raad constateerde dat het College bij het besluit van 3 juni 2008 inderdaad geen expliciete toetsing aan de Beleidsregels had verricht, wat een schending van artikel 3:2 en Pro 7:12 Awb betekende. Daarom werd het besluit vernietigd. Desondanks oordeelde de Raad dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven, omdat het niet aannemelijk was dat appellant niet op de hoogte was van de bijstandsverlening aan J-B en de gezamenlijke huishouding was vastgesteld.
Appellant voerde aan dat zijn onbekendheid met de bijstandsuitkering een dringende reden was om van terugvordering af te zien, mede omdat de strafrechtelijke zaak tegen hem wegens onvoldoende bewijs was geseponeerd. De Raad verwierp dit argument en benadrukte dat bestuursrechtelijke beoordeling niet gebonden is aan strafrechtelijke uitspraken. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering bijstand wordt vernietigd wegens procedurele tekortkoming, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.