Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3588 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op niet-toekenning Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin het beroep tegen het besluit van het UWV om niet terug te komen op de niet-toekenning van een Wajong-uitkering ongegrond werd verklaard. Het UWV had eerder geweigerd terug te komen op de niet-toekenning omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante verschillende gronden aangevoerd, waaronder de nietigheid van het oorspronkelijke besluit wegens minderjarigheid ten tijde van het medisch onderzoek, een onvolledig medisch dossier, een geschonden afspraak over een nieuwe aanvraag, en het niet afwachten van inlichtingen door de bezwaarverzekeringsarts. Tevens verzocht zij om benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige.

De Raad oordeelt dat deze gronden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden opleveren en dat deze kwesties reeds in eerdere procedures aan de orde hadden kunnen komen. De Raad wijst het verzoek om een deskundigenonderzoek af, conform vaste rechtspraak dat dit in beroep en hoger beroep niet plaatsvindt. De Raad bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 december 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om terug te komen op de niet-toekenning van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

10/3588 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 mei 2010, 09/833 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 17 oktober 2010 heeft appellante aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde L.J. Musters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een eerder besluit van 10 juli 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van
27 januari 2004, bij besluit van 6 augustus 2008 geweigerd om terug te komen van de niet-toekenning aan appellante van een Wajong-uitkering, omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 6 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep, ingesteld tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - geen aanleiding gezien te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en is van oordeel dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de eerst in beroep door appellante overgelegde stukken met betrekking tot de WSW-indicatie niet in de beoordeling kunnen worden meegenomen. De rechtbank is ook van oordeel dat er geen grond is om de besluitvorming van het Uwv onzorgvuldig te achten. Ten slotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het door appellante gevraagde onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige.
3. In hoger beroep heeft appellante de volgende gronden naar voren gebracht:
a) het besluit van 10 juli 2003 is nietig, omdat appellante ten tijde van het daaraan ten grondslag liggende medisch onderzoek minderjarig was;
b) ten tijde van dat medisch onderzoek beschikte het Uwv over een onvolledig medisch dossier;
c) bij gelegenheid van de hoorzitting van 30 oktober 2003 is tussen appellante en het Uwv afgesproken dat appellante te zijner tijd (dat wil zeggen na een nieuw medisch onderzoek en na afloop van een opname van appellante) opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering zou doen, welke afspraak door het Uwv is geschonden;
d) ten onrechte heeft de bezwaarverzekeringsarts de door haar aan de behandelend psychiater gevraagde inlichtingen niet afgewacht.
Ten slotte heeft appellante haar verzoek om benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige herhaald.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met betrekking tot de hiervoor onder a), b) en c) geformuleerde gronden is de Raad van oordeel dat deze geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb opleveren. Al deze gronden hadden in beroep tegen het besluit van 27 januari 2004 naar voren kunnen worden gebracht. De door appellante gestelde gebreken - wat daar overigens verder van zij - zijn in ieder geval niet zodanig ernstig dat het besluit van 10 juli 2003 nietig is.
4.2. Ook grond d) slaagt niet. Appellante ziet over het hoofd dat het op haar weg ligt bij haar (nieuwe) aanvraag van
15 februari 2008 nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb te vermelden. Overigens verenigt de Raad zich geheel met het in overweging 12 van de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven oordeel over de zorgvuldigheid van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts.
4.3. Voor inwilliging van het verzoek van appellante tot benoeming van een deskundige is geen plaats. De Raad wijst erop dat in het kader van een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb - naar vaste rechtspraak van de Raad - in beroep en hoger beroep geen plaats is voor een deskundigenonderzoek.
4.4. Uit de overwegingen 4.1. tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) M. Mostert.
KR