ECLI:NL:CRVB:2010:BO9541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing aanvullende bijstand wegens onduidelijkheid over vermogen
Appellante heeft een aanvraag gedaan voor aanvullende bijstand nadat zij tijdelijk in loondienst was geweest en haar arbeidscontract eindigde. Het College wees de aanvraag af omdat appellante niet kon aantonen dat zij recht op bijstand had, mede vanwege onduidelijkheden over de herkomst en besteding van bedragen van een spaarrekening die zij eerder had opgeheven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank niet had meegewogen dat appellante gedurende bijna anderhalf jaar geen bijstand ontving en deels inkomen had boven de bijstandsnorm. Ook had het College geen rekening gehouden met de aanmerkelijke schuld van appellante aan het College.
De Raad oordeelde dat het College onvoldoende had gemotiveerd dat de schending van de inlichtingenplicht een weigering van bijstand rechtvaardigde. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen, inclusief het verzoek om schadevergoeding en kostenvergoeding.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellante voor zowel beroep als hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van 21 november 2007 wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.