ECLI:NL:CRVB:2012:BY0846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand na eerdere intrekking wegens vermogen en inkomen
Appellant had tot 1 augustus 2009 bijstand ontvangen, die werd beëindigd vanwege het beschikken over vermogen via bankrekeningen van zijn moeder. Het college had bovendien een terugvordering van €60.734,02 ingesteld wegens het overschrijden van de vermogensgrens in de periode 2004-2009.
Na een afgewezen aanvraag om bijstand in december 2009 en een daaropvolgend bezwaar, verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond omdat het college ten onrechte artikel 4:6 Awb Pro had toegepast. De rechtbank vond echter dat appellant niet had aangetoond dat hij in de beoordelingsperiode bijstandbehoevend was.
In hoger beroep betoogde appellant dat de terugvordering op zijn vermogen in mindering moest worden gebracht, waardoor zijn vermogen negatief zou zijn. De Raad oordeelde dat de periode van beoordeling liep van de aanvraag tot het besluit en dat appellant niet had aangetoond dat hij recht had op bijstand. Hij had als gemachtigde geld van de bankrekening van zijn moeder overgemaakt naar zijn eigen rekening en contant opgenomen, wat als inkomen moest worden gezien.
De Raad stelde dat het negatieve vermogen niet relevant was en dat de saldering van het vermogen met de terugvordering geen bespreking behoeft. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij recht heeft op bijstand.