ECLI:NL:CRVB:2010:BO9359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvullende bijstand wegens overschrijding vermogensgrens door onroerend goed in Turkije
De zaak betreft het hoger beroep van de erven van betrokkene tegen de afwijzing van een aanvraag voor aanvullende bijstand door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Betrokkene en zijn echtgenote ontvingen vanaf 2003 een AOW-pensioen en aanvullende bijstand. Na onderzoek bleek dat zij onroerend goed in Turkije bezaten met een waarde die het vrij te laten vermogen overschreed. Dit leidde tot beëindiging van de bijstand per 1 januari 2005.
De erven dienden in 2007 een nieuwe aanvraag in, die door de Svb werd afgewezen op grond van het vermogen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het onderzoeksverslag van de ambassade voldoende bewijs leverde dat de waarde van het onroerend goed de vermogensgrens overschreed. De rechtbank vond dat een fout in het onderzoeksverslag geen invloed had op de deskundigheid van de waardebepaling.
In hoger beroep betoogden de appellanten dat een perceel grond ten onrechte was meegenomen in de waardebepaling, maar de Raad volgde dit niet. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de waarde van het vermogen inderdaad de vermogensgrens overschrijdt, waardoor de afwijzing van aanvullende bijstand terecht is. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag aanvullende bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens door onroerend goed in Turkije wordt bevestigd.