ECLI:NL:CRVB:2010:BO8948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging einde refertejaar bij WW-dagloonvaststelling na arbeidsurenverlies
Appellant werd op 6 augustus 2007 feitelijk arbeidsongeschikt gesteld, maar ontving tot 22 februari 2008 zijn reguliere loon. Het UWV stelde het einde van het refertejaar vast op 31 juli 2007 en berekende het WW-dagloon op basis van het arbeidsurenverlies dat op 6 augustus 2007 intreedt.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat het dagloon mede berekend moest worden op het loon tot 22 februari 2008, verwijzend naar artikel 16, eerste en tweede lid, van de WW en de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren.
De Raad oordeelde dat de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren niet ziet op het arbeidsurenverlies in artikel 16, eerste lid, van de WW, maar op het tweede lid ter bescherming van bepaalde werknemers. Daarom is het arbeidsurenverlies ingetreden op 6 augustus 2007 en eindigt het refertejaar op 31 juli 2007.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het einde van het refertejaar blijft 31 juli 2007.