ECLI:NL:CRVB:2010:BO8948

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4111 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWArt. 45 WW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging einde refertejaar bij WW-dagloonvaststelling na arbeidsurenverlies

Appellant werd op 6 augustus 2007 feitelijk arbeidsongeschikt gesteld, maar ontving tot 22 februari 2008 zijn reguliere loon. Het UWV stelde het einde van het refertejaar vast op 31 juli 2007 en berekende het WW-dagloon op basis van het arbeidsurenverlies dat op 6 augustus 2007 intreedt.

Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat het dagloon mede berekend moest worden op het loon tot 22 februari 2008, verwijzend naar artikel 16, eerste en tweede lid, van de WW en de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren.

De Raad oordeelde dat de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren niet ziet op het arbeidsurenverlies in artikel 16, eerste lid, van de WW, maar op het tweede lid ter bescherming van bepaalde werknemers. Daarom is het arbeidsurenverlies ingetreden op 6 augustus 2007 en eindigt het refertejaar op 31 juli 2007.

De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het einde van het refertejaar blijft 31 juli 2007.

Uitspraak

09/4111 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2009, 08/3438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.H. van Essen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is ingaande 6 augustus 2007 ontslagen uit zijn functie van adviseur/projectleider. Nadat hij hiertegen bezwaar had gemaakt, is de ingangsdatum van het ontslag gewijzigd in 22 februari 2008. Appellant heeft vanaf 6 augustus 2007 feitelijk geen werkzaamheden meer verricht in zijn hoedanigheid van adviseur/projectleider, maar heeft tot 22 februari 2008 wel zijn reguliere loon ontvangen.
1.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft het Uwv hem bij besluit van 25 maart 2008 een WW-uitkering toegekend met ingang van 25 februari 2008.
1.3. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hierbij heeft hij gesteld dat het dagloon dat ten grondslag is gelegd aan de WW-uitkering ten onrechte niet mede is berekend op basis van het loon zoals hij dat tot 22 februari 2008 ontving. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat appellant met ingang van 6 augustus 2007 te maken heeft gekregen met een arbeidsurenverlies. Het Uwv heeft bevestigd dat, hiervan uitgaande, het refertejaar reeds op 31 juli 2007 is geëindigd.
2. Tegen het besluit van 23 juli 2008 heeft appellant beroep ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv het besluit van 23 juli 2008 bij zijn besluit van 18 november 2008 in zoverre gewijzigd dat het dagloon is verhoogd met de stijging van het minimumloon. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, geoordeeld dat het Uwv het einde van het refertejaar terecht op 31 juli 2007 heeft bepaald.
3. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank met betrekking tot het einde van het refertejaar, in navolging van het Uwv, ten onrechte uitgaat van het tijdstip van zijn feitelijke arbeidsurenverlies in plaats van de dag waarop hij werkloos is geworden in de zin van de WW. Daartoe voert appellant aan dat artikel 45, eerste lid, van de WW voor het begrip ‘arbeidsurenverlies’ verwijst naar artikel 16, eerste lid, van de WW. Dit artikellid dient volgens hem in samenhang te worden gelezen met het tweede lid van dit artikel. Ingevolge het tweede lid dienen uren waarover iemand niet heeft gewerkt, maar wel loon heeft ontvangen, gelijk te worden gesteld met gewerkte uren.
4. Het oordeel van de Raad.
4.1. In artikel 45, eerste lid, van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat voor de berekening van de uitkering als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW is ingetreden, verdiende.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW geldt als voorwaarde voor het ontstaan van werkloosheid dat ten minste een bepaald arbeidsurenverlies optreedt. Het tweede lid ziet op de wijze van berekening van het arbeidsurenverlies. In de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren is geregeld dat in bepaalde situaties, bij de berekening van het aantal arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW, niet-gewerkte uren gelijkgesteld moeten worden met gewerkte uren.
4.2. In het kader van een WW-dagloonvaststelling heeft de Raad in zijn uitspraak van 4 december 2008, LJN BG8432, geoordeeld dat de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren niet ziet op het arbeidsurenverlies genoemd in artikel 16, eerste lid, van de WW. Hierbij heeft de Raad overwogen dat deze regeling de berekening van het verlies van het aantal arbeidsuren betreft bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW ter bescherming van bepaalde groepen werknemers. De Raad ziet geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen. Het door appellant gelegde verband met het tweede lid van artikel 16 van Pro de WW is derhalve niet juist. Dit betekent dat het door het Uwv bij de berekening van het dagloon in aanmerking te nemen arbeidsurenverlies in dit geval is ingetreden op 6 augustus 2007.
4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is vermeld, kan de Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en met het oordeel van de rechtbank dat het refertejaar eindigt op 31 juli 2007.
5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.L. de Gier.
KR