ECLI:NL:CRVB:2010:BO8596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet-rechtmatig verblijf volgens WWB
Appellant, een Nigeriaanse staatsburger, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die op 2 maart 2006 verliep. Hij diende meerdere aanvragen in voor verlenging en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar deze werden afgewezen en bezwaar en beroep werden ongegrond verklaard of niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Op 4 oktober 2007 vroeg appellant bijstand aan bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, welke aanvraag werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef volgens de WWB. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij rechtmatig verbleef op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en dat de redelijke termijn van zes maanden na het verlopen van zijn verblijfsvergunning nog niet was verstreken. De Raad oordeelde echter dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 11 lid 3 WWB Pro omdat hij geen tijdige aanvraag tot voortgezet verblijf had ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
Daarom kon appellant niet als vreemdeling met rechtmatig verblijf worden aangemerkt en had hij geen recht op bijstand. De Raad bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet als vreemdeling met rechtmatig verblijf kan worden aangemerkt volgens artikel 11 lid 3 WWB.