ECLI:NL:CRVB:2010:BO8459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens handel in marihuana en beoordeling aanvraag WWB
Appellant en zijn partner ontvingen vanaf 1995 bijstand. Het College trok de bijstand per 1 oktober 2003 in wegens vermoedelijke handel in marihuana ter waarde van circa € 89.848,48. Op 16 mei 2007 dienden zij een nieuwe aanvraag WWB in. Het College weigerde de aanvraag te behandelen omdat niet alle gevraagde gegevens waren verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het College ten onrechte de aanvraag als een verzoek tot bijstand met terugwerkende kracht interpreteerde. De Raad stelt dat het College zich moest beperken tot het beoordelen van het recht op bijstand vanaf de aanvraagdatum en dat de gevraagde gegevens zich in principe moesten beperken tot drie maanden voorafgaand aan de aanvraag.
Gezien de overgelegde gegevens en verklaringen, waaronder een verklaring van de moeder van appellant's partner, kon de aanvraag inhoudelijk worden beoordeeld. De Raad vernietigt het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank en beveelt het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het College wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.