ECLI:NL:CRVB:2010:BO8028

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-334 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering over arbeidsmogelijkheden

Appellante, voormalig thuiszorgmedewerkster, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering vanwege rug- en gewrichtsklachten. Na diverse arbeidsverrichtingen en ziekmelding wegens psychische klachten, weigerde het UWV haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. In bezwaar en beroep werd aangevoerd dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische beperkingen en de noodzaak van een begripvolle en niet-autoritaire werkomgeving.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de arbeidsdeskundigen onvoldoende overtuigend hadden toegelicht dat appellante niet was aangewezen op werk in een beschutte omgeving. De Raad hechtte daarbij ook belang aan de eis dat er geen sprake mag zijn van een autoritaire leidinggevende. De medische en arbeidsdeskundige rapporten verschilden van mening over de noodzaak van meer dan gemiddelde begeleiding.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit ontbeert aan een draagkrachtige motivering en vernietigde zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van het UWV. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de overwegingen van de Raad. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.

Uitspraak

10/334 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 december 2009, 08/2585 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.T. Bosch, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is werkzaam geweest als thuiszorgmedewerkster en als entreemedewerkster. In verband met rug- en gewrichtsklachten heeft zij haar werkzaamheden moeten staken en is haar na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode, per 1 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vervolgens heeft appellante in verschillende functies werkzaamheden verricht, laatstelijk als terreinwacht. Per 1 april 2002 is de WAO-uitkering op basis van een schatting op feitelijke verdiensten ingetrokken. Per 31 oktober 2005 heeft appellante zich in verband met psychische klachten ziekgemeld. Verzekeringsarts J. Schipper heeft op 5 oktober 2007 een medisch onderzoek verricht en daarbij kennis genomen van hem eerder ter hand gestelde informatie van de psychiater M.P.M. van Gaalen van 21 mei 2007. Vervolgens zijn de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft arbeidsdeskundige F.W.H. Berkhof een aantal functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellante in staat werd geacht. Bij besluit van 14 december 2007 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 29 oktober 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 35%.
2.1. In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande psychische beperkingen. Appellante zou niet in staat zijn in het vrije bedrijf te werken.
2.2. Bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans heeft op 29 april 2008 geoordeeld dat verzekeringsarts Schipper voldoende rekening heeft gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. Er is naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende aanleiding om appellante niet in staat te achten arbeid in het vrije bedrijf te verrichten. Bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk heeft in een rapport van 11 juni 2006 één van de voorgehouden functies laten vervallen en geconstateerd dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 19 juni 2008 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
3. In beroep zijn namens appellante diverse rapporten van de medisch adviseur R.M.E. Blanker in geding gebracht, alsmede een indicatiebesluit van het CIZ van 27 februari 2009 inzake dagbegeleiding en een besluit met betrekking tot een WSW-indicatie. Het Uwv heeft op de ingebrachte stukken gereageerd.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische beoordeling door het Uwv onderschreven en in de overgelegde stukken onvoldoende aanleiding gezien om te oordelen dat appellante niet in staat zou zijn arbeid op de vrije arbeidsmarkt te verrichten.
5. In hoger beroep is herhaald dat appellante niet in staat is arbeid in het vrije bedrijf te verrichten, onder meer omdat zij is aangewezen op werkzaamheden met een meer dan gemiddelde begeleiding in een begripvolle omgeving. Appellante heeft een brief van medisch adviseur H. Donkers van 13 september 2010 en een brief van psychiater Van Gaalen van 1 september 2010 in geding gebracht. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. Wat betreft de medische beoordeling overweegt de Raad dat appellante volgens verzekeringsarts Schipper is aangewezen op eenvoudige duidelijk gestructureerde routinematige arbeid zonder tijds- of tempodruk. Verder zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van conflicthantering en leidinggevende taken. In een vertrouwde begripvolle omgeving is het voor appellante naar het oordeel van de verzekeringsarts mogelijk om met derden samen te werken. Er mag geen sprake zijn van een autoritaire stijl van leidinggeven of externe druk. Verder heeft de verzekeringsarts een meer dan gemiddelde begeleiding met positieve ondersteuning gewenst geacht. Op grond hiervan zijn diverse beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren in de FML aangenomen, welke in bezwaar zijn bevestigd. De Raad stelt vast dat de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet afwijken van de in het dossier beschikbare medische informatie van bedrijfsarts F.M. de Wit en psychiater Van Gaalen van 21 mei 2007 en het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts D.H. Balakumaran van 11 juli 2007, waarin overigens aangegeven werd dat een meer dan gemiddelde begeleiding vereist was in plaats van gewenst, zoals Schipper aangaf.
6.3. Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij gezien haar beperkingen niet in staat kan worden geacht arbeid op de vrije arbeidsmarkt te verrichten overweegt de Raad als volgt. Bedrijfsarts De Wit heeft op 6 juni 2007 het Uwv om een deskundigenoordeel gevraagd, over zijn visie dat appellante in verband met haar problematiek wellicht nooit op de arbeidsmarkt terecht had moeten komen. Arbeidsdeskundige M. Daal heeft in dat kader op 13 september 2007 gerapporteerd en de visie van de bedrijfsarts onderschreven. Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende oordeel dat appellante niet is aangewezen op werk in een beschutte omgeving is onder meer gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige Berkhof van 29 mei 2008. Hij heeft de geschiktheid voor de geselecteerde functies wat betreft de voorwaarde van - onder meer - de begripvolle werkomgeving toegelicht, overwegende dat binnen een modern ondernemingsklimaat de belastbaarheid ten aanzien van de specifieke eisen die gesteld worden aan de werkomgeving niet overschreden worden. Op 11 juni 2008 heeft bezwaararbeidsdeskundige Van Heeswijk aanvullend toegelicht dat appellante niet is aangewezen op werk in WSW-verband omdat uit de brief van de bedrijfsarts impliciet volgt dat een begripvolle werkomgeving wel aanwezig kan zijn in het vrije bedrijf. De Raad overweegt dat het standpunt van Berkhof en Van Heeswijk afwijkt van dat van de bedrijfsarts, de behandelende psychiater en Daal. Alle beschikbare gegevens, waaronder ook het aan het slot van overweging 6.2 vermelde verschil in gebezigde bewoordingen inzake de noodzaak van een meer dan gemiddelde begeleiding, afwegend en in onderlinge samenhang beschouwend acht de Raad de door de (bezwaar)arbeidsdeskundigen gegeven toelichting dat bij de voorgehouden functies voldoende rekening is gehouden met de voor appellante geldende voorwaarden voor het verrichten van arbeid en appellante niet is aangewezen op werk in een beschutte omgeving onvoldoende overtuigend. Naast de hiervoor genoemde eis van een begripvolle werkomgeving, heeft de Raad in het bijzonder ook acht geslagen op de eis dat er geen sprake mag zijn van een autoritaire leidinggevende. Het bestreden besluit ontbeert mitsdien een draagkrachtige motivering.
7. Hetgeen onder 6.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het beroep gegrond moet worden verklaard. Voorts wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt aan het Uwv opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtbijstand in beroep, op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 16,10 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.212,10.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit en geeft het Uwv opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.212,10;
Bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van beroep en hoger beroep van € 149,-
(€ 39,- + € 110,-) aan appellante vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en R.C. Stam en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2010.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK