ECLI:NL:CRVB:2010:BO7392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en verrekening leenbijstand zonder dringende redenen
Appellant ontving leenbijstand op grond van de WWB voor aflossing van een schuld aan Essent, waarbij maandelijks een bedrag werd ingehouden op zijn IOAW-uitkering. Na beëindiging van de IOAW-uitkering wegens werkaanvaarding, werd appellant verplicht het bedrag zelf aan de gemeente te betalen. Omdat appellant niet aan deze verplichting voldeed en het traject van bewindvoering en schuldsanering mislukte, vorderde het College het openstaande bedrag terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten tot terugvordering en verrekening ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het College geen gebruik had mogen maken van de terugvorderingsbevoegdheid vanwege zijn problematische schuldensituatie en werkloosheid. De Raad stelde vast dat de besluiten tot verstrekking van leenbijstand niet meer ter discussie stonden en dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden vormde om van terugvordering af te zien.
Verder oordeelde de Raad dat appellant geen procesbelang meer had bij het hoger beroep tegen de arbeidsverplichtingen, aangezien zijn IOAW-uitkering was beëindigd en geen maatregelen tegen hem waren genomen. De verrekening van de schuld met de IOAW-uitkering was volgens de Raad rechtmatig en de beslagvrije voet werd gerespecteerd. De Raad wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en verrekening van leenbijstand en verklaart het hoger beroep tegen arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk.