ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting bij zelfstandige werkzaamheden
Appellante ontving bijstand volgens de WWB en was vennoot van een onderneming. Het College herzag en trok de bijstand in over de periode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 vanwege het niet melden van inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden, en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de maatregel niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit deels. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat zij onterecht niet de cautie had gekregen en dat het College niet bevoegd was tot onderzoek na vermoeden van fraude.
De Raad oordeelde dat de brief met de maatregel een niet-besluit is en dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is omdat het geen strafrechtelijke procedure betreft. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken wegens schending van de inlichtingenverplichting. Voor de periode september-december 2005 was de onderbouwing onvoldoende, waardoor dat deel van het besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
De Raad verwierp het beroep op de strafvorderlijke richtlijn en bevestigde dat het College zelfstandig onderzoek mag verrichten. Het College werd veroordeeld in de proceskosten en moest griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De Raad vernietigt deels het besluit tot intrekking van bijstand wegens onvoldoende onderbouwing over september-december 2005, bevestigt het overige en veroordeelt het College in proceskosten.