ECLI:NL:CRVB:2010:BO5404

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/4800 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • R. Kooper
  • G.W.B. van Westen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 13 WIA
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dagloonberekening WIA bij nabetaling achterstallig loon

Betrokkene was tot 1 juli 2007 werkzaam bij een werkgever en ontving een lager loon dan volgens de CAO was vastgesteld. Na een loonvorderingsprocedure betaalde de werkgever in juli 2008 een nabetaling van achterstallig loon. Het UWV berekende het WIA-dagloon op basis van het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode van 1 oktober 2004 tot 1 oktober 2005, zonder de nabetaling mee te nemen.

De rechtbank Haarlem oordeelde dat het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, voor zover het het loondervingsbeginsel verlaat, onverbindend was en gaf betrokkene gelijk. Het UWV stelde in hoger beroep dat de wetgever met de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten het loondervingsbeginsel had verlaten en dat het historisch loon bepalend is.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de nabetaling weliswaar vorderbaar was in de referteperiode, maar niet niet-inbaar. De omstandigheden wezen niet op een situatie waarin betrokkene niet eerder betaling had kunnen verkrijgen. Daarom was het correct dat het UWV de nabetaling buiten beschouwing liet bij de dagloonberekening.

De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de nabetaling wordt buiten de dagloonberekening gelaten.

Uitspraak

09/4800 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 augustus 2009, 08/6240 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 10 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot].
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Betrokkene was tot 1 juli 2007 werkzaam bij [naam BV]. De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de rechtbank per 1 juli 2007 ontbonden.
In deze ontbindingsprocedure was naar voren gekomen dat betrokkene een salaris had ontvangen beneden het geldende bedrag ingevolge de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst voor de Glastuinbouw (hierna: CAO). Na eerst zelf bij haar werkgever het achterstallige loon te hebben gevorderd, is zij vervolgens een loonvorderingsprocedure gestart. Dit heeft ertoe geleid dat de werkgever haar in juli 2008 een nabetaling heeft gedaan.
1.2. Bij besluit van 22 november 2007 heeft appellant aan betrokkene vanaf 1 oktober 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend, waarvan de hoogte is berekend naar een dagloon van € 78,62. Daarbij is uitgegaan van een referteperiode van 1 oktober 2004 tot 1 oktober 2005.
1.3. Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het standpunt ingenomen dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de in 2007 ingestelde loonvorderingsprocedure en het feit dat betrokkene jarenlang te weinig loon heeft ontvangen en dit ook middels brieven heeft gevorderd, tot gevolg hebben dat het loon met terugwerkende kracht reeds in de referteperiode van oktober 2004 tot oktober 2005 vorderbaar was. Zo betrokkene dit wel zou hebben aangetoond, is appellant overigens van oordeel dat daarmee nog niet gegeven is dat de loonaanspraak niet inbaar was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 13 augustus 2008 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 13, tweede lid, van de WIA neergelegde bepaling dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels kunnen worden gesteld niet zover kan gaan dat hiermee wordt afgeweken van het in het eerste lid neergelegde loondervingsbeginsel. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat, nu inmiddels was gebleken dat de werkgever alsnog het loon waarop zij volgens de CAO rechthebbende was heeft uit- c.q. nabetaald, het in strijd met het - in het eerste lid van artikel 13 van Pro de WIA neergelegde - loondervingsbeginsel is om met dit loon, waarop betrokkene rechthebbende is, geen rekening te houden. Het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit), voor zover daarbij in artikel 2, eerste lid, het loondervingsbeginsel wordt verlaten, moet onverbindend worden geacht, aldus de rechtbank.
3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant is van mening dat de wetgever met de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) het loondervingsbeginsel in zoverre heeft verlaten dat thans het in het verleden genoten loon (het historisch dagloon) bepalend is voor de hoogte van het dagloon. Bepalend is thans het loon waarvan de werkgever in de referteperiode opgave heeft gedaan aan de Belastingdienst. Gelet hierop is de nabetaling in het kader van achterstallig loon terecht buiten de dagloonberekening gehouden. Daarbij acht appellant nog van belang dat evenmin is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit, nu betrokkene niet heeft aangetoond dat de door haar gemelde nabetaling van achterstallig loon in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar was.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is de door appellant aangehouden referteperiode van 1 oktober 2004 tot 1 oktober 2005, noch ook het feit dat de nabetaling van achterstallig loon door de (ex-)werkgever van betrokkene buiten deze periode heeft plaatsgevonden.
4.2. Artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit berusten op het uitgangspunt dat bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WIA wordt berekend, wordt uitgegaan van het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten dan wel de uitkering welke de verzekerde op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheid, de WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode.
Met het standpunt van appellant dat met de Walvis het loondervingsbeginsel in zoverre is verlaten dat thans het in het verleden daadwerkelijk genoten - door de werkgever opgegeven - loon bepalend is voor de hoogte van het dagloon kan de Raad zich geheel verenigen. Kortheidshalve verwijst de Raad hiertoe naar (onder meer) zijn uitspraak van 19 augustus 2010, LJN BN6005. Uit deze uitspraak van de Raad volgt dat er in gevallen zoals hier aan de orde geen grond is voor het oordeel dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit, voor zover daarbij het loondervingsbeginsel wordt verlaten, onverbindend moet worden geacht.
4.3. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond treft dus doel.
4.4. Het geschil in hoger beroep spitst zich vervolgens toe op het antwoord op de vraag of de nabetaling van achterstallig loon door de (ex-)werkgever in de referteperiode vorderbaar en tevens niet inbaar was, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit.
4.5. Evenals appellant, beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Op grond van de beschikbare gegevens moet aan betrokkene worden toegegeven dat de nabetaling reeds in de referteperiode vorderbaar was. Deze vordering vloeide voort uit de geldende CAO en is uiteindelijk ook tegenover de werkgever komen vast te staan. Aan het vereiste van niet inbaarheid is echter niet voldaan. De omstandigheden waaronder de werkgever alsnog tot betaling is overgegaan, wijzen er niet op dat de vordering tijdens de referteperiode niet inbaar was. Dat betrokkene in die periode niet op de hoogte was van het bestaan van de vordering en dat de werkgever de vordering niet zonder slag of stoot heeft erkend, maar het eerst op een loonvorderingsprocedure heeft laten aankomen, is daarvoor niet voldoende. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat betrokkene, indien zij eerder van de vordering had geweten, feitelijk niet eerder betaling daarvan had kunnen verkrijgen.
4.6. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat appellant bij de berekening van het WIA-dagloon van betrokkene is uitgegaan van het door betrokkene gedurende de referteperiode bij haar (ex-)werkgever daadwerkelijk genoten loon en daarbij de nabetaling die in 2007 heeft plaatsgevonden terecht geheel buiten beschouwing heeft gelaten.
4.7. Het hoger beroep van appellant slaagt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2008 ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
JvS