ECLI:NL:CRVB:2010:BO4729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vertrek naar Polen
Appellant was sinds 2000 in vaste dienst als barman bij een Nederlandse werkgever. Eind januari 2006 nam hij ontslag om in Polen als bedrijfsleider te gaan werken, op basis van een mondelinge overeenkomst. Na onenigheid keerde hij in juli 2006 terug en vroeg een WW-uitkering aan.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant geen bewijs leverde van verzekerde arbeid in Polen en omdat hij een voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen door zonder garantie ontslag te nemen. De rechtbank vernietigde het primaire besluit wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de weigering wegens verwijtbare werkloosheid.
In hoger beroep stelde appellant dat hij een weloverwogen beslissing had genomen, met een reëel vooruitzicht op een nieuwe baan. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde van een dienstverband in Polen en dat hij een groot werkloosheidsrisico had genomen zonder enige garantie. Het vertrek naar Polen en het ontslag uit een vaste baan waren verwijtbaar.
De Raad concludeerde dat de werkloosheid appellant in overwegende mate kan worden verweten en dat het EU-recht geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.