ECLI:NL:CRVB:2010:BO4713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekeringstijdvak AOW na 1 juli 1998 voor vreemdeling zonder verblijfstitel
Appellant, geboren in 1968 en woonachtig in Marokko, verzocht in november 2007 om een tussentijdse opgave van zijn verzekeringstijdvakken ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant verzekerd was geweest van 20 mei 1991 tot en met 30 juni 1998, maar niet daarna.
De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een onzorgvuldige voorbereiding, met name omdat de Svb niet had onderzocht of appellant na 1 juli 1998 wellicht nog verzekerd was op grond van een eerdere uitspraak van de Raad. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel verzekerd was na 1 juli 1998, mede omdat er premies volksverzekeringen op zijn loon waren ingehouden.
De Svb handhaafde haar standpunt dat appellant vanaf 1 juli 1998 niet verzekerd was, omdat hij niet in het bezit was van een rechtmatige verblijfstitel zoals vereist volgens artikel 6, tweede lid, van de AOW. De Raad overwoog dat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef vanaf die datum en dat het feit dat premies werden ingehouden niet bepalend is voor de verzekeringsplicht.
De Raad bevestigde het besluit van de Svb en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad op de mogelijkheid voor appellant om zich vrijwillig te verzekeren voor de periode waarin premies werden ingehouden. De Raad kende geen vergoeding van proceskosten toe.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 1 juli 1998 niet verzekerd was krachtens de AOW vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.