ECLI:NL:CRVB:2010:BO4014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende medische arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WAZ-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd omdat hij niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest vanaf 24 januari 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de Raad voor de Rechtspraak het eerdere vonnis vernietigde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen.
In het nieuwe besluit van 13 april 2006 werd de uitkering opnieuw geweigerd op grond dat appellant niet wegens ziekte of gebrek beperkt was in het functioneren buiten het familiebedrijf. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte geen Functionele Mogelijkheden Lijst had opgesteld en dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen.
De Raad heeft het medisch dossier, inclusief rapporten van verschillende psychiaters, bestudeerd en concludeert dat de beperkte veerkracht van appellant onvoldoende is om hem als arbeidsongeschikt te beschouwen. De Raad bevestigt het oordeel van het UWV dat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAZ en wijst het hoger beroep af.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellant niet medisch arbeidsongeschikt is.