ECLI:NL:CRVB:2010:BO3805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over berekening Ziektewet-dagloon en nabetaling overuren
Betrokkene was werkzaam bij een werkgever en werd arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV stelde het Ziektewet-dagloon vast zonder rekening te houden met twee nabetalingen voor overuren: één van € 692,72 betaald in september 2006 en één van € 5.670,50 betaald in april 2007. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze berekening en stelde dat beide nabetalingen meegenomen moesten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en beval het UWV een nieuw besluit te nemen, omdat de nabetaling van € 5.670,50 volgens de rechtbank wel vorderbaar maar niet inbaar was in de referteperiode. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene ook wilde dat de nabetaling van € 692,72 werd meegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene niet had aangetoond dat de nabetaling van € 5.670,50 niet inbaar was in de referteperiode. Verder stelde de Raad vast dat de nabetaling van € 692,72 betrekking had op overuren die pas na de referteperiode vorderbaar waren, waardoor deze niet meegenomen konden worden in de dagloonberekening.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het besluit van het UWV bleef staan. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV gehandhaafd.