ECLI:NL:CRVB:2010:BO3649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand naar de norm voor gehuwden vanwege een gezamenlijke huishouding met [T.], met wie zij een kind kreeg. Na beëindiging van de relatie gaf zij aan alleenstaande ouder te zijn, maar onderzoek door sociale recherche toonde aan dat [T.] nog in haar woning verbleef.
Het College besloot daarop de bijstand vanaf 1 februari 2007 te herzien en terug te vorderen, met oplegging van een maatregel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie leidend is voor het begrip gezamenlijke huishouding en dat de onderzoeksresultaten, waaronder waarnemingen, huisbezoek en verklaringen, voldoende bewijs leveren dat [T.] zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De verklaring van appellante werd niet als onder druk afgelegd beoordeeld.
De Raad vond het motiveringsgebrek in het besluit van het College niet schadelijk voor de verdediging van appellante. Omdat gezamenlijke huishouding bestond, was appellante niet zelfstandig bijstandgerechtigd. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.