ECLI:NL:CRVB:2010:BO2860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening en terugvordering WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 10 oktober 2005 tot en met 9 oktober 2006 op grond van een vermeend dienstverband met een uitzendbureau van september 2004 tot oktober 2005. Het UWV stelde na een fraudeonderzoek dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en dat appellante nooit persoonlijk arbeid had verricht. Op basis hiervan werd de uitkering herzien en teruggevorderd.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij wel degelijk werkzaamheden had verricht, waarbij zij de onherkenbaarheid tijdens het onderzoek aan een andere pasfoto toeschreef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de verklaringen in het fraudeonderzoek niet eenduidig en stellig waren. De Raad achtte het UWV onvoldoende in staat gesteld om te bewijzen dat appellante geen werknemer was geweest.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van een gefingeerd dienstverband.