ECLI:NL:CRVB:2010:BO2848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door herhaalde werkweigering
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn aanvraag voor een WW-uitkering af te wijzen, omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank Utrecht oordeelde dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro ten grondslag ligt, omdat appellant hardnekkig weigerde zijn werkzaamheden te hervatten.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet was gewaarschuwd dat ontslag zou volgen bij voortzetting van zijn gedrag. De Raad concludeerde echter dat uit brieven van de werkgever blijkt dat appellant duidelijk is gewaarschuwd dat zijn afwezigheid niet langer werd geaccepteerd en dat ontslag op staande voet kon volgen.
De feiten tonen aan dat appellant na ziekmelding onbereikbaar was, zonder toestemming naar het buitenland reisde, en ondanks meerdere sommaties en waarschuwingen niet op het werk verscheen. Het UWV heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en de WW-uitkering geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is en het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd.