ECLI:NL:CRVB:2010:BO2818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf volgens Bbz 2004
Appellant vroeg bijstand aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor het starten van een aardappelenbedrijf. Het College wees de aanvraag af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht, gebaseerd op een adviesrapport van IMK Intermediair B.V. dat stelde dat de omzetverwachtingen onrealistisch waren en het benodigde klantenbestand niet haalbaar.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het advies onzorgvuldig was en fouten bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege gebrek aan procesbelang. In hoger beroep vernietigde de Raad deze uitspraak en beoordeelde het beroep inhoudelijk.
De Raad bevestigde dat het College zich mocht baseren op het deskundigenadvies van IMK en dat de beoordeling van levensvatbaarheid moet plaatsvinden op het moment van het primaire besluit (23 april 2007). Hoewel latere adviezen positiever waren en bijstand werd verleend, betroffen deze een andere periode waarin appellant al was gestart.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf op het moment van aanvraag levensvatbaar was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard omdat het bedrijf op het moment van aanvraag niet levensvatbaar was.