ECLI:NL:CRVB:2010:BO2069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en appellante ontvingen bijstand volgens de norm voor alleenstaanden, terwijl zij gedurende de relevante periodes een gezamenlijke huishouding voerden. De sociale recherche stelde dit vermoeden vast en deed onderzoek, waarna het Dagelijks Bestuur de bijstand introk en de kosten terugvorderde.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten onder meer aan dat zij niet samenwoonden en dat het onderzoek van de sociale recherche onrechtmatig was. De Raad oordeelde dat appellanten wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij het hoofdverblijf en wederzijdse zorg deelden. De verklaringen van appellanten zelf ondersteunden dit.
De Raad wees het verzoek om aanhouding van de zaken af vanwege het late tijdstip en het ontbreken van voldoende bewijs voor ziekte. De Raad bevestigde dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor de bijstand ten onrechte was verleend.
Het Dagelijks Bestuur was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen, ook mede van appellante. Het beroep tegen de hoogte van de terugvordering faalde omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat het onderzoek tekort was geschoten of dat de terugvordering onredelijk was.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.