ECLI:NL:CRVB:2010:BO0527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling voetklachten en andere beperkingen
Appellant ontving sinds 1992 een WAO-uitkering vanwege voetbeperkingen, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% sinds 1995. Na een verzoek tot herziening wegens rug- en beenklachten in 2003, weigerde het UWV aanvankelijk dit te honoreren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Raad vernietigde deze uitspraak in 2007 wegens onvoldoende medische onderbouwing en beval nieuw onderzoek.
Uit het vervolgonderzoek bleek dat de voetbeperkingen ongewijzigd waren, maar dat er toegenomen beperkingen aan rug en linkerknie waren, voortkomend uit een andere ziekteoorzaak. Het UWV herzag daarop de uitkering per 30 oktober 2002 naar 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid, rekening houdend met de voetklachten.
De Raad oordeelt dat het UWV de beperkingen terecht heeft vastgesteld op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst van 1 augustus 2008 en dat er geen overtuigend medisch bewijs is dat de rug- en knieklachten tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leiden. De primaire vordering tot terugwerkende kracht en volledige WAO-uitkering wordt afgewezen, evenals het beroep op artikel 37 van Pro de WAO. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de WAO-uitkering per 30 oktober 2002 naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.