ECLI:NL:CRVB:2010:BO0304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5498 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing langdurigheidstoeslag wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante diende medio maart 2007 een aanvraag in voor een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag bij besluit van 9 mei 2007 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 17 september 2007, omdat appellante verzuimd zou hebben juiste inlichtingen te verstrekken over de verblijfsstatus van haar partner. Hierdoor ontving zij gedurende ongeveer vijf maanden bijstand naar de gehuwdennorm terwijl zij slechts recht had op bijstand voor een alleenstaande ouder. Hoewel appellante het te veel ontvangen bedrag van €1.098,22 had terugbetaald, handhaafde het College de afwijzing.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die oordeelde dat artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB een feitelijke norm stelt voor het recht op langdurigheidstoeslag, namelijk de hoogte van het feitelijk genoten inkomen gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden. De Raad stelde vast dat appellante gedurende de referteperiode uitsluitend bijstand als inkomen had ontvangen en dat de bijstand binnen die periode was herzien en teruggevorderd.

De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting en het tijdelijk te hoog ontvangen inkomen niet mogen leiden tot het weigeren van de langdurigheidstoeslag, omdat de wet geen verwijtbaarheid als criterium noemt. Het beleid van het College dat terugbetaling niets afdoet aan het ontbreken van recht op toeslag, is in strijd met de wet. Daarom werd het besluit van 17 september 2007 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het College opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het College tot afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

08/5498 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2008, 07/3910 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 12 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Voor appellante is mr. Ummels verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Klinge, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 september 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tot 24 november 1999 ontving zij bijstand naar de norm voor gehuwden, van 24 november 1999 tot 20 maart 2003 naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 20 maart 2003 weer naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 27 april 2004 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 24 september 2003 herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder en het verschil met de gehuwdennorm over de periode van 24 september 2003 tot en met 29 februari 2004
- deels bruto - van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in het totaal € 1.098,22. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat de partner van appellante in genoemde periode niet (meer) in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning.
1.2. Medio maart 2007 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van Pro de WWB.
1.3. Bij besluit van 9 mei 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.
1.4. Bij besluit van 17 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2007 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het College overwogen, onder verwijzing naar zijn beleid in het Handboek SoZaWe, onderdeel C-8000, dat appellante niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarde, omdat zij verzuimd heeft juiste inlichtingen - over de verblijfsstatus van haar partner - te verstrekken, waardoor zij gedurende een periode van ongeveer vijf maanden in de referteperiode bijstand heeft ontvangen naar de norm voor gehuwden, terwijl zij slechts recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Dat appellante inmiddels heeft terugbetaald, doet hier niet aan af, aldus het College.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 september 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro.
4.2. In het Handboek SoZaWe, onderdeel C-8000, onder ‘Misbruik of fraude’, is als beleid opgenomen, voor zover hier van belang, dat er geen recht op langdurigheidstoeslag bestaat indien in de referteperiode sprake is geweest van misbruik of fraude, waardoor te veel bijstand is ontvangen, en dat terugbetaling van de teveel ontvangen (bijstands)uitkering hieraan niets afdoet.
4.3. Vast staat dat appellante in de referteperiode, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB, uitsluitend bijstand als inkomen heeft ontvangen en dat zij tijdens die periode gedurende ruim vijf maanden ten onrechte bijstand heeft ontvangen naar de norm voor gehuwden. Voorts is niet in geschil dat dit binnen de referteperiode is gecorrigeerd, in die zin dat de bijstand is herzien en teruggevorderd en appellante het bij besluit van 27 april 2004 teruggevorderde bedrag van € 1.098,22 binnen die periode heeft terugbetaald. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde voorwaarde voor het recht op langdurigheidstoeslag.
4.4. Dat appellante tijdelijk bijstand boven de voor haar toepasselijke bijstandsnorm heeft ontvangen doordat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, doet hier niet aan af. Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevat immers een feitelijke norm voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag, te weten de hoogte van het gedurende een bepaalde periode - feitelijk - genoten inkomen. De tekst van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB noch de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt aanknopingspunten dat eventuele verwijtbaarheid van de betrokkene ten aanzien van het tijdelijk ontvangen van een inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm bij die - feitelijke - beoordeling een rol speelt. Het onder 4.2 weergegeven beleid van het College is in zoverre in strijd met de wet.
4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het op de beleidsregels van het College berustende besluit van 17 september 2007, waarbij de afwijzing van de aanvraag om een langdurigheidstoeslag is gehandhaafd, wegens strijd met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen stand houden. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 17 september 2007 vernietigen. Het College zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2007 met inachtneming van deze uitspraak.
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 september 2007;
Draagt het College op opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2007 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010.
(get.) C. van Viegen.
(get.) J.M. Tason Avila.
RB