ECLI:NL:CRVB:2010:BN9571
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij bijstandsweigering op grond van koppelingswetgeving
Verzoeker had een aanvraag om bijstand ingediend die door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Het bezwaar van verzoeker werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde deze beslissing. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij tot de kwetsbare personen behoorde die bescherming genieten onder artikel 8 EVRM Pro en beriep zich op internationale verdragen zoals het Europees Sociaal Handvest (ESH) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR).
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang had, maar dat de Raad niet bevoegd was om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen vanwege de meervoudige kamer van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de koppelingswetgeving, die rechten aan vreemdelingen koppelt aan rechtmatig verblijf, verenigbaar is met non-discriminatiebepalingen en dat de genoemde internationale verdragen geen afdwingbare aanspraak op bijstand geven.
Verder werd geoordeeld dat ook indien verzoeker tot kwetsbare personen wordt gerekend, dit geen grond is om artikel 16 lid 2 WWB Pro buiten toepassing te laten. Het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd verworpen omdat de afwijzing van bijstand geen onmenselijke behandeling inhoudt. De Raad achtte het niet waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zou worden vernietigd en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijstand wordt afgewezen.