ECLI:NL:CRVB:2010:BN8774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1457 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, WWBArt. 54, derde lid, aanhef en onder a, WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWBArt. 3 Beleidsregels Wet werk en bijstandArt. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in drugs

Appellant ontving bijstand sinds 2003 en werd in 2005 aangehouden wegens verdenking van drugshandel. Op basis van onderzoek trok het Algemeen Bestuur de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 1 januari tot 5 juni 2005, omdat appellant werkzaamheden en inkomsten uit drugshandel niet had gemeld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het Dagelijks Bestuur bevoegd was tot besluitvorming, niet het Algemeen Bestuur, waardoor het besluit van 26 april 2007 onbevoegd was genomen. De Raad vernietigde dit besluit, verklaarde het beroep gegrond en liet de rechtsgevolgen in stand.

De Raad oordeelde dat appellant betrokken was bij drugshandel en inkomsten had genoten, wat hij niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering werden niet erkend. Het Dagelijks Bestuur werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

08/1457 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 januari 2008, 07/915 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het Algemeen Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (hierna: Algemeen Bestuur)
Datum uitspraak: 21 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (hierna: Dagelijks Bestuur) heeft een verweerschrift ingediend en heeft in reactie op een brief van de Raad op 20 mei 2010 een besluit van 7 mei 2010 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Voor het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur is verschenen mr. L.G. Röst, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 27 juni 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor gehuwden. Hij is op 6 juni 2005 door de politie aangehouden wegens verdenking van handel in drugs. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche Regio Noord-Veluwe een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte bijstand. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het Algemeen Bestuur bij besluit van 17 januari 2007 de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 juni 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 7.722,76. Daarbij is aan appellant medegedeeld dat de invordering van dit bedrag plaatsvindt door vanaf 1 februari 2007 maandelijks 10% in te houden op de periodieke bijstand. Aan het besluit van 17 januari 2007 is ten grondslag gelegd dat appellant in de genoemde periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten uit handel in drugs zonder daarvan mededeling te doen aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellant in de bedoelde periode recht had op bijstand.
1.2. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het Algemeen Bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, evenals in bezwaar en beroep, betoogd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij uit zijn activiteiten geen inkomsten heeft genoten. Hij stelt niet in drugs te hebben gehandeld, maar alleen voor vrienden en kennissen drugs te hebben opgehaald. Hij ontving hiervoor geen geld maar een beloning in natura, bestaande uit een kleine hoeveelheid drugs voor eigen gebruik. Dit is volgens hem niet relevant voor het recht op bijstand. Subsidiair is aangevoerd dat er sprake is van een dringende reden op grond waarvan, ingevolge artikel 3 van Pro de Beleidsregels Wet werk en bijstand, geheel of gedeeltelijk had moeten worden afgezien van de intrekking en terugvordering van bijstand. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij de financiële zorg heeft voor zijn drie minderjarige kinderen. Voorts worden zijn financiële zaken geregeld door de “Stichting Marktplein” en krijgt hij slechts € 70,-- per week om te voorzien in de primaire levensbehoeften van zijn gezin.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 november 2007, LJN BB7737, ambtshalve vast dat niet aan het Algemeen Bestuur maar aan het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand de bevoegdheid toekomt om de aan appellant verleende bijstand in te trekken en de kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Dit betekent dat het besluit van 26 april 2007 onbevoegdelijk en dus in strijd met de wet is genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet daarin aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil heeft de Raad aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand gevraagd deze zaak voor te leggen aan het Dagelijks Bestuur. Blijkens het in rubriek I genoemde besluit van 7 mei 2010 heeft het Dagelijks Bestuur het besluit van 25 april 2007 voor zijn rekening genomen. Daarvan uitgaande zal de Raad bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 april 2007 in stand kunnen worden gelaten.
4.2. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat is komen vast te staan dat appellant tijdens de in geding zijnde periode betrokken is geweest bij de handel in drugs en daaruit inkomsten heeft genoten. Evenals de rechtbank acht de Raad daarbij van belang dat appellant zelf tijdens het verhoor op 7 juni 2005 heeft verklaard dat hij reeds gedurende zes tot zeven maanden bezig was met het kopen van drugs en het doorgeven van drugs aan anderen, die bij hem drugs hebben besteld en hebben betaald. Ook is door diverse getuigen verklaard dat zij bij appellant in de in geding zijnde periode drugs hebben gekocht. Uit de verklaringen van de verdachte [naam verdachte] en de getuige [naam getuige] blijkt voorts dat de handel in drugs van appellant van beduidend grotere omvang was dan door appellant gesteld en de verdiensten daaruit niet beperkt bleven tot een beloning in natura. Het had appellant derhalve redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn activiteiten in de drugshandel en de daarmee verworven inkomsten van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand en dat hij hiervan ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, melding had moeten maken. Dat appellant op geen enkele wijze aantekening heeft gehouden van de ontvangen middelen uit of in verband met de drugshandel, zodat een eventueel aanvullend recht op bijstand niet kan worden aangetoond, moet naar vaste rechtspraak voor rekening en risico van appellant worden gelaten.
4.3. Het recht op bijstand van appellant over de periode 1 januari 2005 tot en met 5 juni 2005 kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om over de in geding zijnde periode tot intrekking van bijstand over te gaan. De Raad stelt vast dat het Dagelijks Bestuur in overeenstemming met de ter zake van intrekking geldende beleidsregels heeft gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 3 van Pro die beleidsregels. Het Dagelijks Bestuur heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de door appellant gestelde financiële omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als dringende omstandigheden die het matigen of afzien van de intrekking rechtvaardigen. Uit het in juli 2007 uitgevoerde heronderzoek is verder gebleken dat appellant en zijn familie al geruime tijd geen bemoeienis meer hebben met de Stichting Marktplein. Ook ziet de Raad hierin geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van de beleidsregels van intrekking had moeten afzien.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het Dagelijks Bestuur bevoegd was om de kosten van bijstand over de in geding zijnde periode terug te vorderen. Zoals hiervoor onder 3 is aangegeven heeft appellant subsidiair aangevoerd dat toepassing had moeten worden gegeven aan de beleidsregel dat op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. De Raad stelt vast dat in overeenstemming met de beleidsregel is gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ook in dit verband geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Dagelijks Bestuur daarvan had moeten afwijken.
4.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2, 4.3 en 4.4 is overwogen ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 april 2007 in stand te laten.
5. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;
Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep, in totaal € 145,--, vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) N.M. van Gorkum.
SB