ECLI:NL:CRVB:2010:BN8003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1 november 1998 een AOW-pensioen voor alleenstaanden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vermoedde echter dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene en startte een onderzoek. Dit onderzoek bestond uit administratief onderzoek, huisbezoek, buurtonderzoek, observaties en getuigenverhoren.
Op basis van het rapport van de sociale recherche concludeerde de Svb dat appellant en betrokkene vanaf november 1998 een gezamenlijke huishouding voerden. Appellant voerde aan dat hij tot 15 november 2006 geen gezamenlijke huishouding had en daarna slechts een kostgangerrelatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook de Raad bevestigt dit oordeel.
De Raad motiveert dat het gezamenlijke hoofdverblijf aan het adres van betrokkene, gecombineerd met gezamenlijke activiteiten, wederzijdse zorg en financiële gedragingen, duiden op een gezamenlijke huishouding. De huurovereenkomst vanaf 15 november 2006 wordt niet als commerciële relatie gezien vanwege de onderlinge verbondenheid en zorg. Er zijn geen dringende redenen om van herziening af te zien. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen wordt bevestigd.