ECLI:NL:CRVB:2010:BN7158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens procedurele en feitelijke tekortkomingen
Betrokkene ontving van april 2003 tot januari 2006 een WW-uitkering die later werd ingetrokken door het UWV op grond van een frauderapport waarin werd gesteld dat betrokkene in 2005 onterecht werkzaamheden had verricht zonder dit te melden.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege het ontbreken van originele, ondertekende verklaringen die aan het frauderapport ten grondslag lagen, en omdat het onderzoek zonder toestemming van partijen werd gesloten. Het UWV stelde in hoger beroep dat zij aanvullende verklaringen had overgelegd waaruit de werkzaamheden zouden blijken.
De Raad oordeelde echter dat het sluiten van het onderzoek zonder toestemming in strijd was met artikel 8:64 Awb Pro, waardoor de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig tot stand was gekomen. Daarnaast achtte de Raad aannemelijk dat betrokkene slechts gedurende 12 dagen heeft gewerkt, wat overeenkomt met een loonvordering, en dat het UWV onvoldoende navraag had gedaan naar de betrouwbaarheid van urenstaten.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.