ECLI:NL:CRVB:2010:BN6410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over registratieverplichting werkzoekende en insolventie-uitkering
De zaak betreft een werknemer die na het faillissement van zijn werkgever een insolventie-uitkering aanvraagt, maar zich niet tijdig registreert als werkzoekende bij de CWI. Het UWV verlaagt de uitkering met 20% wegens deze niet-naleving. De werknemer maakt bezwaar, dat wordt afgewezen. De rechtbank bevestigt dit oordeel en verklaart het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep onderzoekt vervolgens of de registratieverplichting en de maatregel in overeenstemming zijn met de Europese Insolventierichtlijn 80/987/EEG, zoals gewijzigd. De Raad overweegt dat de richtlijn lidstaten een ruime beoordelingsmarge geeft bij de organisatie van waarborgfondsen, maar dat beperkingen restrictief moeten worden uitgelegd en sociaal doel moeten dienen.
De Raad stelt vast dat de maatregel niet leidt tot volledige ontzegging van rechten, maar tot een gedeeltelijke verlaging van de uitkering. De Raad vraagt zich af of de registratieverplichting ook geldt voor werknemers die tijdens de opzegtermijn eigen bedrijf zijn gestart en of de maatregel proportioneel is.
Vanwege onduidelijkheden in de uitleg van het Unierecht verzoekt de Raad het Hof van Justitie om prejudiciële beantwoording van drie vragen over de verenigbaarheid van de nationale regeling met de Insolventierichtlijn. De verdere behandeling van het geding wordt aangehouden tot het arrest van het Hof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie en schorst de verdere behandeling van het geding.