ECLI:NL:CRVB:2010:BN3299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder verzorging
Appellante heeft na het overlijden van haar echtgenoot in 2007 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar broer zonder dat sprake is van verzorging van een hulpbehoevende. Appellante voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voert en dat de Svb onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
De Raad oordeelt dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding is voldaan, waarbij het ingevulde onderzoeksformulier van 20 maart 2007 zwaarwegend is. De wederzijdse verzorging is vastgesteld op basis van diverse aangekruiste elementen van zorg, ook al ontbrak financiële verstrengeling. Het standpunt van appellante dat het formulier onjuist is ingevuld is niet aannemelijk gemaakt.
Verder is het bezwaar niet als verzoek tot herziening aangemerkt omdat dit pas in hoger beroep is gevraagd. De aanvraag van appellante faalt ook omdat zij geen aanvraag heeft gedaan voor een nabestaandenuitkering na het pensioen van haar broer en omdat er nog sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Breda en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.