ECLI:NL:CRVB:2010:BN2895

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5381 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 TW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing toeslag met meer dan een jaar terugwerkende kracht op grond van de Toeslagenwet

Appellant, die sinds 1991 een WAO-uitkering ontvangt, vroeg in november 2006 voor het eerst een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet (TW). Het UWV kende aanvankelijk een toeslag toe met ingang van 14 juli 2007, maar corrigeerde dit later tot 27 november 2005. Appellant verzocht vervolgens om een toeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht, wat door het UWV werd afgewezen omdat geen sprake was van een bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 11, zevende lid, TW.

De rechtbank oordeelde dat appellant recht had op wettelijke rente over de terugwerkende betaling, maar verwierp verder zijn beroep. In hoger beroep stelde appellant dat hij in 1995 onjuist was voorgelicht door de rechtsvoorganger van het UWV en dat het UWV hem ook daarna niet op zijn rechten had gewezen, waardoor hij niet eerder een aanvraag kon indienen.

De Raad stelde vast dat appellant pas in november 2006 een aanvraag indiende en dat er geen bewijs was van eerdere aanvragen. De enkele niet-uitnodiging tot aanvraag in 1995 door een medewerker van het UWV was onvoldoende om te spreken van onjuiste voorlichting of een bijzondere situatie. De Raad volgde daarmee de rechtbank en bevestigde dat het recht op toeslag niet eerder dan 27 november 2005 kon ingaan.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

08/5381 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 augustus 2008, 07/3915 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Appellant ontvangt sinds 25 november 1991 een uitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van 23 november 2006 kende het Uwv appellant bij besluit van 29 november 2006 met ingang van 14 juli 2007 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toe. Bij besluit van 14 september 2007 vond een correctie plaats van de ingangsdatum, als gevolg waarvan de TW-uitkering alsnog met ingang van 27 november 2005 werd toegekend.
1.3. Vervolgens verzocht appellant het Uwv bij brief van 7 september 2007 hem met meer dan één jaar terugwerkende kracht in aanmerking te brengen voor een toeslag. Het Uwv besliste bij besluit van 14 september 2007 afwijzend op dit verzoek. Aan dit besluit lag de overweging ten grondslag dat het recht op toeslag op grond van artikel 11 van Pro de TW niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag, dat het Uwv bevoegd is in bijzondere gevallen hiervan af te wijken, maar dat in appellants situatie geen sprake is van een bijzonder geval.
1.4. In bezwaar stelde appellant zich op het standpunt dat hij in 1995 mondeling had geïnformeerd naar de mogelijkheid van een toeslag en dat hem destijds werd meegedeeld dat hij daarvoor niet in aanmerking zou komen.
Het Uwv verklaarde het bezwaar van appellant bij besluit van 13 november 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond. Het Uwv overwoog dat toekenning van een uitkering op grond van de TW niet ambtshalve plaatsvindt en dat een toeslag door middel van een door het Uwv beschikbaar gesteld aanvraagformulier dient te worden aangevraagd. Appellant is naar het oordeel van het Uwv zelf volledig verantwoordelijk voor het indienen van een aanvraag, zodat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, op grond waarvan de toeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigde het bestreden besluit enkel voor zover daarbij aan appellant geen schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente was toegekend over de met terugwerkende kracht betaalde toeslag.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt herhaald dat hij in 1995 van de zijde van de rechtsvoorganger van het Uwv onjuist is voorgelicht over zijn recht op een toeslag uit hoofde van de TW. Daarnaast stelt hij dat het Uwv ook in de jaren daarna heeft verzuimd hem te wijzen op zijn rechten uit hoofde van de TW, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet eerder een schriftelijk verzoek om een toeslag heeft ingediend.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad stelt vast dat appellant voor het eerst op 23 november 2006 – bij het Uwv binnengekomen op 27 november 2006 – een aanvraag heeft ingediend voor een toeslag. Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat appellant op enig eerder moment een dergelijke aanvraag heeft ingediend. Er staat genoegzaam vast dat appellant, ook na een gesprek in 1995 met een medewerker van de rechtsvoorganger van het Uwv over de hoogte van zijn inkomen en een mogelijk recht op een toeslag uit hoofde van de TW, op grond van door hem zelf elders ingewonnen informatie in de veronderstelling is blijven verkeren dat hij niet voor een toeslag in aanmerking kwam. Het enkele feit dat de medewerker appellant niet heeft uitgenodigd toch een aanvraag in te dienen, kan niet de stelling van appellant ondersteunen dat hij indertijd door de rechtsvoorganger van het Uwv onjuist is voorgelicht. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat van een bijzondere situatie op grond waarvan appellant niet eerder een toeslag heeft kunnen aanvragen geen sprake is. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad dan ook terecht overwogen dat het recht op toeslag ingevolge artikel 11, zevende lid, van de TW niet eerder dan per 27 november 2005 hoefde te worden vastgesteld.
5. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. de Vos als voorzitter en M. Greebe en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.J. van der Torn.
EvdV