ECLI:NL:CRVB:2010:BN2715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1986 bijstand op grond van de WWB, laatstelijk als alleenstaande met toeslag. Het College stelde na onderzoek door de Sociale Recherche vast dat appellante vanaf 10 september 1998 zonder melding een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Hierdoor werd de bijstand onterecht verleend en werd deze ingetrokken met terugvordering van €106.176,49.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellanten ongegrond, maar vernietigde de besluiten terwijl de rechtsgevolgen in stand bleven. In hoger beroep richtten appellanten zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. De Raad stelde vast dat de periode van gezamenlijke huishouding vanaf juli 2004 niet meer in geschil was, maar dat de periode van 10 september 1998 tot 30 juni 2004 wel ter beoordeling stond.
De Raad concludeerde op basis van verklaringen van buurtbewoners, gemeentelijke registratie en feitelijke omstandigheden dat appellant zijn hoofdverblijf ook bij appellante had, ondanks het aanhouden van een eigen woning. De schending van de inlichtingenplicht door appellante maakte intrekking en terugvordering van de bijstand terecht. Het College had voldoende grond om terug te vorderen en medeterug te vorderen van appellant. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.