ECLI:NL:CRVB:2010:BN1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe werkloosheid na intrekking WAO-uitkering
Appellante ontving sinds 1983 een WAO-uitkering, die in 1996 werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Op dat moment werd zij geacht beschikbaar voor arbeid en voldeed zij aan de voorwaarden voor een WW-uitkering, maar deze werd toen geweigerd wegens niet voldoen aan de referte-eis. In 2007 werd haar WAO-uitkering ingetrokken vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante vroeg daarop een WW-uitkering aan per 1 augustus 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat er geen nieuwe werkloosheid was ontstaan per 1 augustus 2007. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, onder meer dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht en zij wel aan de referte-eis voldeed.
De Raad overwoog dat appellante sinds 26 maart 1996 geen werkzaamheden als werknemer meer heeft verricht en dat deze datum als eerste werkloosheidsdag geldt. Omdat er tussen 1996 en 2007 geen nieuwe werkloosheid is ontstaan, is het recht op WW-uitkering per 1 augustus 2007 terecht ontzegd. Het hoger beroep wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering per 1 augustus 2007 wordt bevestigd.