ECLI:NL:CRVB:2010:BN1180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloosheid na ontslag wegens ernstig plichtsverzuim
Appellante was werkzaam bij de gemeente Maastricht en werd op 1 september 2005 ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na een disciplinaire procedure die volgde op een verdenking van medeplichtigheid aan bijstandsfraude. Na afloop van haar ziekengeldperiode verzocht zij om een WW-uitkering. Het UWV weigerde een voorschot op de WW-uitkering te verstrekken vanwege de verwachting dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. Zij oordeelde dat het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim een geldige grond was voor blijvende en volledige weigering van de WW-uitkering en dat het UWV voldoende aanknopingspunten had om het voorschot op nihil te stellen. De rechtbank vond de motivering en voorbereiding van het besluit zorgvuldig.
In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het UWV geen eigen onderzoek had verricht. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en benadrukte dat het voorschotbesluit een voorlopig karakter heeft en losstaat van de definitieve vaststelling van het recht op WW. Ook andere procedures, zoals de strafrechtelijke niet-vervolging en eerdere bestuursrechtelijke uitspraken, gaven geen aanleiding het standpunt van het UWV te herzien.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de weigering van het voorschot op de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het voorschot op de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag wegens ernstig plichtsverzuim.