ECLI:NL:CRVB:2010:BN0208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens verlies aan procesbelang bij intrekking WAO-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 21 februari 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard, waarna appellante beroep instelde bij de rechtbank, dat werd afgewezen.
Tijdens het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar alsnog gegrond werd verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd werd vastgesteld op 80 tot 100%. Hierdoor werd het oorspronkelijke beroep feitelijk ingetrokken.
De Raad oordeelde dat het beroep hierdoor niet-ontvankelijk was wegens verlies aan procesbelang, aangezien het nieuwe besluit volledig tegemoet kwam aan het beroep van appellante. Een discussie over de grondslag van de arbeidsongeschiktheid (medisch of arbeidskundig) was voor deze procedure niet relevant.
De Raad wees ook op het ontbreken van een verzoek om schadevergoeding, wat het belang bij beoordeling van het bestreden besluit had kunnen handhaven. Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, aangezien het UWV geheel aan haar bezwaren tegemoet was gekomen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies aan procesbelang na het gegrond verklaren van het bezwaar door het UWV.