ECLI:NL:CRVB:2010:BM8158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.N.A. Bootsma
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens onjuiste periode en bedrag
Appellante ontving vanaf 7 april 2005 bijstand op grond van de WWB. Na afronding van haar echtscheiding bleek zij op 9 december 2005 over een vermogen te beschikken dat invloed had op de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Het College vorderde daarom bijstandskosten terug over de periode van 7 april tot en met 31 december 2005.
De Centrale Raad oordeelde dat het College ten onrechte het terug te vorderen bedrag niet had aangepast aan het feit dat over een deel van de periode minder bijstand was verleend dan het teruggevorderde bedrag. Tevens was het College niet bevoegd om vanaf 9 december 2005 terug te vorderen op grond van artikel 58 WWB Pro, omdat vanaf die datum sprake was van in aanmerking te nemen vermogen en niet van naderhand verkregen middelen.
De Raad vernietigde het besluit van het College en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen waarbij alleen over de periode tot en met 8 december 2005 kan worden teruggevorderd tot maximaal het bedrag van de verleende bijstand. Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet aangetroffen, en het beroep werd gegrond verklaard. Het College werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd.