ECLI:NL:CRVB:2010:BM6023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen besluit verlaging bijstand gemeente Den Haag
Appellante maakte bezwaar tegen de verlaging en toekenning van haar bijstand door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage. Het College had haar bijstand ingetrokken, later gedeeltelijk toegekend en verlaagd. Appellante stelde dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het besluit over haar bezwaar reeds genomen was, waardoor zij haar beroep tijdig had ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het besluit van 9 oktober 2006 ten tijde van het indienen van het beroep nog niet tot stand was gekomen en dat appellante redelijkerwijs niet kon menen dat dit wel het geval was, mede gelet op het verslag van de hoorzitting.
Daarom is het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het latere besluit van 18 februari 2008, waarin de verlaging werd tenietgedaan, wordt ongegrond verklaard omdat appellante daartegen geen grieven heeft aangevoerd. De Raad bepaalt tevens dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond.