ECLI:NL:CRVB:2010:BM5525

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5201 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WAO-uitkering toe te kennen op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na vernietiging van een eerdere uitspraak door de rechtbank, heeft het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en overwogen dat de beperkingen die door de verzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige zijn vastgesteld, juist zijn en dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn duizeligheidsklachten onvoldoende zijn meegewogen en dat hij niet acht uur per dag kan werken, waardoor de functies als loketbediende, kassamedewerker en inpakker niet geschikt zouden zijn. De Raad heeft echter geoordeeld dat de rechtbank de beroepsgronden voldoende heeft gemotiveerd en dat appellant geen objectief medisch bewijs heeft overgelegd dat een ander oordeel ondersteunt.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Tevens is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 mei 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/5201 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2008, 07/1742 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Namens appellant is verschenen mr. Wudka. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.J.J.M. van Eijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 17 mei 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, onder de overweging dat appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, ingaande 25 oktober 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 30 augustus 2005 zijn de bezwaren van appellant tegen het besluit van 17 mei 2005 ongegrond verklaard.
Nadat de rechtbank het besluit van 30 augustus 2005 bij uitspraak van 2 januari 2007 had vernietigd, heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 1 juni 2007 opnieuw ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 18 januari 2007 voldoende heeft toegelicht dat de belasting van de geselecteerde functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de in de beroepsprocedure aangevoerde gronden tegen het besluit van 1 juni 2007.
Hij stelt zich opnieuw op het standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn duizeligheidsklachten en dat hij geen acht uur per dag kan werken. Voor appellant is het dan ook onbegrijpelijk dat de geduide functies loketbediende, kassamedewerker en inpakker voor hem geschikt zijn bevonden.
4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen.
4.2. De Raad stelt vast dat in hoger beroep geen objectief medische gegevens zijn overgelegd die steun bieden voor een andersluidend oordeel.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) R.L. Venneman.
CVG