ECLI:NL:CRVB:2010:BM5017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering op grond van het vermoeden dat appellante en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 31 maart 2000. Na een uitgebreid administratief onderzoek met dossieronderzoek, getuigenverklaringen en waarnemingen stelde de Svb vast dat er sprake was van gezamenlijke huishouding en trok de uitkering in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bewijs onvoldoende was voor de periode van november 2004 tot 7 oktober 2005. Voor de overige periodes was er wel voldoende bewijs van gezamenlijke huishouding. De Raad baseerde dit op objectieve criteria zoals inschrijving in de GBA, verklaringen van partijen en getuigen, en waarnemingen door sociale recherche.
De Raad vernietigde daarom het besluit van de Svb voor het deel van de betwiste periode en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens veroordeelde de Raad de Svb in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt deels vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding in een tussenliggende periode.